Theo Wolvecamp

In de collectie van het Ambassade Hotel bevinden zich honderden werken van Theo Wolvecamp. Hieronder volgt een korte uitleg over wie deze kunstenaar was en wat de achtergrond is van de werken die u in het hotel kunt zien.

Theo Wolvecamp
Hengelo 1925 - 1992 Hengelo
Kunstenaar

Theo Wolvecamp,”Gabriel”, 1968-1969. Collectie Ambassade Hotel / Voorheen collectie Hans en Alice de Jong

‘Theo, je bent een wildebras’ zei de schrijver Bert Schierbeek in zijn speech op de opening van Wolvecamps grote tentoonstelling in Enschede in 1991. Daarmee trof hij volgens velen een van de typerende kanten van Wolvecamps karakter, namelijk: zijn impulsiviteit, emotionaliteit en heel soms agressiviteit naar anderen. En Schierbeek omschreef ook de inhoud van zijn kunstwerken: ‘Het onderwerp van je werk is telkens weer jouw geestelijke toestand op het moment dat je het maakt.’

Wolvecamp had zelf vergelijkbare uitspraken gedaan: ‘Iemand die zich met mijn werk bemoeit schop ik zo het atelier uit’….’Mijn werk is het resultaat van een zéér persoonlijk ontstaansproces. Het duurt soms wel negen jaar en tachtig lagen verf voor een doek klaar is; alvorens ik via de materie het doek een ziel heb gegeven, de mijne.’
‘Goede schilderkunst is voor mij kunst,  die een bepaald inhoudelijk gevoel overbrengt. Als kijker moet je contact kunnen voelen met zo’n schilderij, het moet weerklank krijgen in je innerlijk. Of het nu een stilleven is, of een landschap of een abstracte voorstelling dat maakt niet uit, het gaat om het contact
’ verduidelijkte hij.

Het was voor hem niet makkelijk dit te bereiken.
‘Ik ben erg kritisch en daardoor niet productief. Ik maak hooguit 6 a 7 doeken per jaar . Als het werk niet voor de volle honderd procent beantwoordt aan mijn gevoel, vernietig ik het of schilder ik het over. Ik werk gemiddeld aan zo’n vijftien doeken tegelijk, maar het duurt meestal maanden en soms zelfs jaren voordat ik echt tevreden ben.’

Collega schilder en Cobralid Corneille reageerde op het bericht van Wolvecamps overlijden met de woorden: ‘Ik heb weinig oorspronkelijke mensen gekend. Maar Theo Wolvecamp was oorspronkelijk. Ook in zijn werk. Zo zal ik hem mij ook blijven herinneren, met zijn kleine, ietwat gedrongen, weerbarstige gestalte. Hij was nors. Opvliegend ook, maar eerlijk. Er zat geen valse schijn aan die man. En zijn werk was echt. Hij had kracht en oorspronkelijkheid, al was het even gesloten als hij zelf was.’

Theo Wolvecamp, “Untitled”, Collectie Ambassade Hotel

Leven
Wolvecamp werd in 1925 in Hengelo geboren als zoon van een kleermaker. Zijn vader overleed toen hij negen jaar was en daarmee stopte zijn schoolcarrière. Zijn oom nam de rol van zijn vader over. Deze oom was jachtopziener en nam de Theo mee de natuur in en leerde Wolvecamp alles over de geluiden, de vormen en de kleuren die hij zag. Hij zegt hierover kort voor zijn dood: ‘Nu nog herken ik in de sneeuw de sporen van een vos of een bunzing. Hij was ook een goede preparateur, hield er ook van dieren na te tekenen. Ik herinner me nog dat ik op zijn knie zat, hij mijn hand vasthield “en me hondenkoppen liet tekenen.’

Detail uit een van de werken in Het Ambassade Hotel

Al snel ging Theo naar de bibliotheek om zich te verder te verdiepen in kunst. De kennismaking met het werk van de Duitse expressionisten en de tekst Uber das Geistige in der Kunst van Kandinsky maakten grote indruk en gaven hem richting. Kandinsky schrijft dat iedere tijd zijn eigen kunst produceert, die niet herhaald kan worden. Het is belangrijk om, zoals in de muziek, de essentie te vinden, de innerlijke natuur.

Theo Wolvecamp, “De Bongerd”, 1946. Collectie Ambassade hotel

Om zich verder te ontwikkelen ging Wolvecamp twee jaar naar de zeer traditionele Arnhemse kunstacademie, maar het beviel hem daar in het geheel niet en hij vertrok in1947 naar Amsterdam. Daar aangekomen gooide hij alles overboord. Aanleiding was onder andere de confrontatie met De geslachte os van Chaim Soutine in het Stedelijk Museum van Amsterdam.

Soutine, “De geslachte Os”. Collectie Stedelijk Museum Amsterdam

Het werk van deze kunstenaar wees hem de weg naar uitdrukken in verf met ‘gevoel’.

Theo Wolvecamp, “Untitled”, Collectie Ambassade Hotel

Zowel Kandinsky als Soutine zetten hem aan tot experimenteren, ‘het activeren van scheppingsdrang’ zoals hij dat zelf noemde. Deze nieuwe werken bleven niet onopgemerkt. Ze trokken de aandacht van de schilders CorneilleCorneille, Karel Appel en Constant, die hem uitnodigden om deel te nemen aan de Experimentele Groep Nederland. De groep ging later op in de internationale kunstenaarsgroep Cobra.

Wolvecamp in 1991 over Cobra: ‘Cobra was een avontuur. Het belang voor mij was dat ik mensen trof met wie ik op een fatsoenlijke manier over kunst kon praten. Die met de zelfde dingen bezig waren als ik.  Toch moet je de waarde van Cobra niet overdrijven,. Het was een groep maar ieder had zijn eigen inbreng.’

De schrijver, ontwerper en dichter Jan Elburg, die ook lid was van De Experimentele Groep en Cobra herinnerde zich later Wolvecamp als volgt:

‘De meest indrukwekkende bijdrage aan de vergaderingen was echter eigenlijk de stilte die uitging van de altijd aanwezige Theo Wolvekamp, de jongste van het gezelschap. Theophile De Bok noemde ik hem in gedachten, omdat zijn zwijgzaamheid aanvankelijk wat bokkig op me overkwam. Hoewel het niet aan een gebrek aan experimentele geaardheid kan worden geweten – het geavanceerde werk van de jeugdige Wolvecamp was al vroeg een stimulans voor zijn clubgenoten geweest – wekte hij niet de indruk veel boodschap aan de discussie te hebben. Hij deelde na zijn komst uit het oosten des lands het atelier met Karel Appel en kwam met deze mee omdat hij het waarschijnlijk gezelliger vond tussen zijn vrienden te zwijgen dan in z’n eentje achter de schildersezel.’

Theo Wolvecamp, “Untitled”. Collectie Ambassade Hotel

Wolvecamp was eigenlijk de enige kunstenaar die door iedereen goed werd gevonden, ook door de beginnende verzamelaar Martin Visser. Nog voordat het eerste blad van de Experimentele Groep Nederland het licht zag liet Visser, die meubelontwerper was, Appel, Corneille, Constant en Wolvecamp tentoonstellen in de Bijenkorf. En in de winter van 1948-49 zijn ze weer in het zelfde warenhuis te zien. Een jaar voordat het Stedelijk Museum zijn ruimtes beschikbaar stelt.

Dat Wolvecamps werk geliefd was bleek nog meer toen Eugène Brands en Wolvecamp in 1948 werden uitgenodigd om bij de fotograaf Melchers tentoon te stellen. Tijdens die tentoonstelling ging een man die bekend stond als een grote verzamelaar er met alle gouaches van Wolvecamp vandoor. De man en de werken zijn nooit meer terug gezien.

Theo Wolvecamp, “Untitled”. Collectie Ambassade Hotel

In 1951 werd Cobra ontbonden. Over de betekenis van de groep voor hem zei Wolvecamp later ‘Het was een beweging die bestond uit allemaal verschillende individuen, zij het met een gemeenschappelijke band. Waar die band uit bestond? Het experiment.’

Theo Wolvecamp, “Untitled”
Collectie Ambassade Hotel

Wolvecamp volgde begin jaren vijftig zijn collega’s Appel, Corneille en Constant naar Parijs. Over zijn goede vriend Appel in Parijs herinnerde hij zich ‘Karel Appel wist de weg:  we gingen samen naar het Musée d’Art Moderne; hij kende alle galerieën, wist waar de Miro’s te zien waren.’ Maar in tegenstelling tot de andere kunstenaars had de stad niets te bieden aan Wolvecamp, eerder het omgekeerde. Waar de andere kunstenaars werden uitgedaagd tot nieuwe richtingen werd hij depressief en raakte aan de drank.

Op Appels advies ging hij terug naar Hengelo en daar kon hij na een tijd van depressie en alcoholisme de draad in zijn werk weer oppakken. Eindelijk kon hij in alle stilte werken.

Theo Wolvecamp, “Untitled”,
resp. Olie op doek en inkt op papier Collectie Ambassade Hotel

Van verzamelaar en kousenfabrikant Hans de Jong kreeg hij een zolder tot zijn beschikking als atelier. ‘We werden vrienden’, zegt hij hierover. 'Ik hielp hem bij de opbouw van zijn kunstverzameling, een van de mooiste in Nederland.’

Werk
Veel werken van Wolvecamp zijn zwaar en hebben een gecompliceerde opbouw.  In de kolkende massa vindt men met een grote regelmaat figuren als vogels, fantasiebeestjes, een elegante dame of grote starende ogen.

En vooral gezichten, als men langer kijkt. Zijn het zelfportretten?

In tegenstelling tot zijn ‘positieve’ collega’s bij de Cobrabeweging, lijkt Wolvecamp een zeer sombere, zwarte kant te hebben. Sommige werken hebben de sfeer van Francis Bacons menselijk lijden.

Die indruk wordt nog versterkt doordat Wolvecamp in bijna alle interviews benadrukt dat het door hem meest bewonderde werk Matthias Grünewalds altaarstuk van Isenheim is. Hierop is een  Kruisiging verbeeld. Het is een Europees hoogtepunt in de uitbeelding van menselijk lijden. Zelf zei hij hierover ‘Het mooiste schilderij dat ik ken is het Isenheimer altaar van Grünewald. De gekruisgde Christus, uitgemergeld tot op het bot op een donkere Calvarieberg. Bijna ieder jaar ga ik ernaar toe om het te bekijken. Ik ben niet katholiek of gelovig, maar ik raak er niet op uitgekeken. Met dat altaar heb ik contact.’…’Eigenlijk heeft alle schilderkunst wel iets religieus. Religieus in de zin van: gevoel voor het mysterie van het leven. In die zin zou je mij ook religieus kunnen noemen.’

Een deel van Wolvecamps werken ontsnappen aan die somberheid, of omdat ze volledig abstract zijn, of vanwege de kleuren. Van de volledig abstracte werken valt vooral de serie werken uit de jaren zestig op met grote zwarte strepen op doek of papier. Er is hier een grote verwantschap met de Amerikaanse, abstract expressionistische kunstenaar Franz Kline te zien. Theo Wolvecamp maakte kennis met het werk van Kline via de collectie van Hans en Alice de Jong die meerdere werken van Kline  telde.  Wolvecamp wordt ook ingedeeld bij de abstract-Expressionisten, de Informele en bij de Tachisten. Het zijn allemaal kunstenaarsbewegingen die vanuit een vlek tot een gevoel in de materie willen komen.

Over het algemeen zijn Wolvecamps schilderijen anders dan zijn schijnbaar ‘spontane’ werken op papier. Op de schilderijen worden dikke kleurige verf lagen in warme kleuren omgeven door zwarte tekens.

Theo Wolvecamp, “Totemdier”, 1972. Collectie Ambassade Hotel

Inmiddels omvat de collectie van Het Ambassade Hotel nagenoeg 500 werken van deze kunstenaar. Het laatste werk dat is toegevoegd is het schilderij Printemps uit 1966. De kleuren uit deze periode verschillen opvallend van zijn andere werken. Wolvecamp was, vertelt men,  verliefd, een  geestesgesteldheid die zich onmiddellijk vertaalde in zijn werk.

Theo Wolvecamp, “Printemps”,1966. Collectie Ambassade Hotel

Het werk van Theo Wolvecamp is te vinden in de collecties van het Stedelijk Museum Amsterdam, Stedelijk Museum Schiedam, Het Cobra Museum in Amstelveen, Dordrechts museum, Silkeborg Denemarken en vele anderen.

Bronnen
Jan G. Elburg, Geen letterheren. Uit de voorgeschiedenis van de vijftigers. Meulenhoff, Amsterdam 1987
Documentaire
Wolvecamp Catalogus
1991 interview in Krant 25-02-1991, Dag Leeuwarder courant
Eugene Brands 80 jaar Willemijn Stokvis
Karel Appel biografie.
RKD krantenknipsels

Meer over Karel Appel, Corneille, Brands, Constant, Jacques Doucet, Anton Rooskens, Dotremont, Tajiri, Cobra, de locaties waar de werken hangen, Wouter Schopman (de verzamelaar).