Karel Appel

Een van de topstukken uit de collectie van het Ambassade Hotel is het portret van Theo Wolvecamp van de hand van Appel. En er bevinden zich nog meer werken van deze Hollandse meester in het hotel.  Hieronder volgt een korte uitleg over wie deze kunstenaar was en wat de achtergrond is van de werken die u in het hotel kunt zien.

Karel Appel
Amsterdam 1921- 2006 Zurich

‘Appel zag er woest uit voor die tijd. Die had een pony en heel lang haar, een Russisch hemd, met een ceintuur, geborduurd met een hoge kraag, dit was je niet gewend in 1947’ herinnert Henny Riemens, fotografe en ex-vrouw van Corneille, zich in de documentaire Cobra (1948-1951) Schilderen na een oorlog. De schrijver Louis Tiessen beschrijft hem, in dezelfde film, met: ‘Karel zag er echt uit als een schilderij van hem. In z’n kleurkeuze en in zijn bonkige explosieve karakter, zo sprak tie ook. Heel krachtig.’

Dat Appel er enkele jaren eerder nog heel anders uitzag is mooi te zien aan de zelfportretten die hij rond 1941 maakte. Op een van die portretten is hij te zien als keurige zelfbewuste jongen in een net pak met vlinderdas. Er was veel veranderd tussen 1941 en 1948.

Het zelfportret in de krant is waarschijnlijk van 1941 in tegenstelling tot de 1939 die vermeld staat in het bijschrift

Wat niet veranderde was zijn liefde voor portretten. 40 jaar later zal Appel tegen Jan Vrijman zeggen: ‘Ik ben een geboren portrettist. Nog altijd teken ik altijd heel makkelijk een portret, snel of ook uitgewerkt als je wil. Ik maak nog steeds portretten. Wel met andere technieken maar ik doe het toch.’

Karel Appel is op dat moment uitgegroeid tot een van Nederlands bekendste kunstenaars.

Leven
Karel Appel werd in 1921 geboren in een eenvoudig kappersgezin in de Dapperbuurt in Amsterdam. Al vroeg, op veertienjarige leeftijd, begon hij, volgens eigen zeggen, te schilderen in de trant van Monet met de kleuren van Van Gogh. Tijdens de Tweede Wereldoorlog ging hij naar de Rijksacademie om een opleiding tot kunstenaar te volgen. De bezetting en het verbod op entartete kunst (het werk van de expressionisten, abstracte kunst en kubisten) sneed hem af van alle nieuwe ontwikkelingen in de kunst. Om te ontkomen aan de Hongerwinter ontvluchtte hij Amsterdam aan het eind van de oorlog en dook hij onder in Twente.

Na de bevrijding gingen de grenzen weer open en konden de jonge Appel en zijn vriend Corneille, die hij op de Rijksacademie had leren kennen, gaan reizen naar Luik en Parijs. Ze zogen alles wat ze zagen op als een spons. Appel verdiepte zich in het spiritisme, de Duitse filosofen, Duitse expressionisten, Fauvisten, Picasso, etnografische kunst en nog veel meer.

Appel in zijn atelier in 1947. Collectie Stadsarchief

Hij vond al snel dat hij zich kon meten met de groten. In 1947 schreef hij aan Corneille ‘Ik maak nu een krachtig primitief werk krachtiger dan negerkunst en Picasso. (…)Ik ben er doorheen gestooten door de muur van Abstract, surrealisme enz. Mijn werk houdt alles in…..’

Hij schreef dit in een periode toen hij nog in grote armoede in Amsterdam woonde.

In die zelfde periode leerden Appel en Corneille de kunstenaar Constant kennen en de drie jonge mannen richtten De Experimentele Groep Nederland op. Later voegden zich daar ook de kunstenaars Eugène Brands, Theo Wolvecamp, Anton Rooskens, Jan Nieuwenhuys en T. Hansma bij. Met name in Theo Wolvecamp vind Appel een geestverwant. Ook een straatarme vrijbuiter. In de oorlog bleken ze nog geen 500 honderd meter van elkaar ondergedoken te hebben gezeten. Dat schiep achteraf een band. Als Theo in Amsterdam is logeert hij bij Appel. Wolvecamp maakt dan al schilderijen waarin hij zand verwerkte en die hij dan explosie noemt.

Op 8 november 1948 richt Appel in Parijs met deze Amsterdamse kunstenaars en kunstenaars uit Kopenhagen en Brussel, de internationale Cobrabeweging op. De groep breidde zich snel uit met andere kunstenaars en ook schrijvers. Ze werkten een tijdje intensief samen. Diverse publicaties en gezamenlijke kunstwerken worden geproduceerd. In 1950 komt een klein Cobraboekje uit over Appel van de hand van de Belgische schrijver Christian Dotremont.

Hij karakteriseerde Appel in het boekje met de volgende woorden:

‘Appel heeft geen minderwaardigheidscomplex en zijn schilderijen evenmin. Maar, opgepast, ik wil niet zeggen dat hij en zijn schilderijen pretentieus zijn. Nee, in het geheel niet, maar zij bevestigen zich met een zeker brutaliteit die nauwelijks plaats voor twijfel over laat: hij is er zeker van, minstens, dat Appel bestaat, dat de schilderijen van Appel bestaan, en dat Appel leeft, en dat de schilderijen van Appel gemaakt worden met verf in kleur.’

In 1951 spatte de Cobrabeweging weer uit elkaar. (zie Cobra pagina)

Appel woonde toen al met andere kunstenaars, waaronder Corneille, in Parijs in de Rue Santeuil en bemoeide zich niet meer met Cobra. Hij nam afstand van alle politieke, filosofische en maatschappelijke discussies die in de groep gevoerd werden. Hij wilde vooral nieuwe ontdekkingen doen.

Schrijver Simon Vinkenoog leerde Appel in Parijs kennen. Hij schijft: In Parijs anno 1950 leer ik Karel Appel kennen, beter kennen, zijn werk waarderen, en de strijd om erkenning meemaken, die hem heeft gebracht waar hij nu is. (…) Hij is een geboren hoofdrolspeler, die nooit maar naar het tweede plan kan worden verwezen. Een hoofdrolspeler, die materie omzet in geest zodra hij ergens maar een poot naar uitsteekt, en die met welwillende aandacht de pogingen van anderen volgt om mee te spelen: want tenslotte is hij de enige, die wérkelijk weet hoe belangrijk het is dat hij werkt en leeft. En alle verslagen van buitenstaanders (zoals ook dit en deze) lapt hij aan zijn laars.’

Een van de belangrijkste elementen uit de Cobrabeweging die Appel zijn hele leven meeneemt is de directe expressie vanuit materie.  Het zette hem aan te schilderen zonder opgezet plan. “Opeens kan een beeld opdoemen uit het niets’ zei hij zelf hierover. Hij gaat daarvoor in de jaren vijftig steeds meer verf gebruiken. Het beeld raakte daarbij wel op de achtergrond, maar het werd niet abstract, verzekerde Appel.

Hij werd door sommigen een scheppende god in zijn eigen universum genoemd. En in zijn universum waren dieren heel belangrijk. Het gaat hier om poezen, vogels, vissen en vreemde wezens, zoals de visvogel met pootjes uit het Ambassade hotel.

Portretten
Appel gaat in de jaren vijftig weer meer portretten schilderen. Vriend Hugo Claus in 1952 en Stedelijk Museum directeur Willem Sandberg in 1953 lijken de eerste aanzet te zijn. Daarna volgen meer mensen die hem dierbaar zijn of waar hij nieuwsgierig naar is. In deze serie bevindt zich ook vriend Theo Wolvecamp. Het portret is nu een van de topstukken in de collectie van het Ambassade Hotel.

De relatie tussen Appel en Wolvecamp is tot het einde toe warm gebleven. Appel bezocht Wolvecamp als hij in Nederland was en op Wolvecamps begrafenis las hij een gedicht voor . Appel bewonderde Wolvecamp. Verrassend genoeg is Wolvecamp in dit portret ook echt goed te herkennen. Dat is met de andere portretten van Appel anders. Zou het op basis van een modificatie gemaakt zijn? Heeft hij een foto bewerkt en de veranderde sfeer op doek overgenomen? We weten het niet. Mooie details in het schilderij zijn de rode lijnen die hij direct uit de tube op het doek heeft aangebracht. Bijna teder dit keer. ‘Schilderen is tastbaar, zinnelijk beleven. En intens bewogen zijn door de vreugde en de tragedie van de mens’ is een van de vele uitspraken van Appel over zijn vak.

Ongeveer in dezelfde periode dat Appel met zijn portretten begon, brak hij internationaal door. Zo ook in de Verenigde Staten en Appel neemt de uitnodiging aan van zijn galeriehoudster Martha Jackson om in 1957 naar New York te komen. Hij gaat daar Amerikaanse Jazzmusici portretteren. Mensen die hij zijn hele leven al bewonderde en die zijn werken al lang inspireerden.

De internationale erkenning bracht Appel grote financiële vrijheid. De kunsthandel hielp hem om te kunnen schilderen en om over de wereld te kunnen reizen. Hij accepteerde de moderne jungle die hierbij hoorde, maar hij zei er pas echt te zijn als hij achter een doek stond. Het werk van Appel is te vinden in de collecties van het Stedelijk Museum Amsterdam, Stedelijk Museum Schiedam,Het CobraMuseum in Amstelveen, Van Abbe Museum Eindhoven, Tate Gallery London, Moma New York  en in vele internationale musea. Teveel om hier op te noemen zie voor een overzicht: http://www.karelappelfoundation.com/index.cfm/karelappel/relevant-links/public-collections/

Beknopte literatuurlijst
Jean-Clarence Lambert, Cobra: kunst in vrijheid, Mercator fonds, 1983.
Michel Ragon, Karel Appel, Schilderijen 1937-1957, Meulenhoff / Landshoff, 1988.
Dr. Willemijn Stokvis, Cobra. De weg naar spontaniteit,  V+ K Publishing, 2001.
Dr. Willemijn Stokvis, De taal van Cobra, Cobra Museum voor moderne kunst Amstelveen/Uniepers 2004.
Simon Vinkenoog Appel’s Oogappels plus het verhaal van Karel Appel. Bruna/ Centraal museum 1970.
Karel Appel, Karel Appel over Karel Appel, Triton, 1971.

Andere media
The Cobra collection, DVD samengesteld door het Cobra Museum voor Moderne Kunst en het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid
Historische kranten website Koninklijke bibliotheek Den Haag

Karel Appel en Hugo Claus, “De Blijde En Onvoorziene Week”, 1950. Collectie Ambassade Hotel

Meer over Theo Wolvecamp, Corneille, Brands, Constant, Jacques Doucet, Anton Rooskens, Dotremont, Tajiri, Cobra, de locaties waar de werken hangen, Wouter Schopman (de verzamelaar).