Jacques Doucet

Jacques Doucet
Boulogne-sur-Seine 1924-1994 Paris

Erik Slagter: ’Jacques Doucet is een kleine man met een vierkante witte baard om een verweerde kop met sterk levendige ogen die voortdurend van richting verschieten. Een mens die de strijd is aan te zien, zonder die te hebben opgegeven.’

Corneille: ‘Hij tekende als een kind dat met krijt een hele wereld op de stoep zet, hij tekende poppetjes, zoals in toiletten of op muren van grote steden te zien zijn … met lijnen die de vrije loop hebben, geestdriftig, kleurrijk, onbeschaamd zoals de alledaagse waarheid.’

Leven
Jacques Doucet werd in 1924 geboren in Boulogne-sur-Seine vlak bij Parijs. In ongeveer 1940 begon hij te tekenen en gedichten te schrijven. En in de oorlogsjaren ging hij ook schilderen, bijvoorbeeld een portret dat hij veelbetekenend Man in vrijheid noemde. In 1942 ontmoette hij de schilder-dichter Max Jacob, waardoor zijn kunst surrealistische invloeden kreeg. Maar ook het werk van de in Parijs wonende, dan al legendarische, Picasso was in die oorlogsjaren van grote invloed.

Tijdens de oorlog werd hij wegens ‘terroristische activiteiten’ door de nazi’s gevangengezet en werden zijn werken geconfisqueerd.

In de Santé-gevangenis maakten de graffiti van ex-gevangenen op de muren grote indruk op hem. Het waren voor hem ingekraste getuigenissen van het menselijk bestaan. Angst en hoop zag hij erin terug. Ze zouden een blijvende invloed op hem en op zijn werk nalaten. Pas in 1945 zou hij vrijkomen uit de Santé.

In jaren hierna begonnen Paul Klee en Miró hem te boeien, met hun ‘kindertekeningen’ en gingen de muren op straat met echte kindertekeningen hem steeds meer fascineren. In dezelfde tijd leerde hij de kunstenaar Jean-Michel Atlan persoonlijk kennen. Hij had ook in Duitse gevangenschap gezeten. Dat schiep een band.

In 1947 kreeg hij een solotentoonstelling aangeboden in de Europese School in Boedapest. Hij leerde in deze stad Corneille kennen. Voor Corneille was het een ontmoeting met de moderne kunst. Hij leerde via Doucet het werk van Miró en Klee kennen. Corneille: ‘Het verblijf daar was een verrukking, ondanks de bouwvallige behuizing. Er wachtten ons nieuwe heuglijke ervaringen: werk, kameraadschap en hoogoplopende twistgesprekken.’ En over Doucet: ‘Hij danste ’s nachts als een wilde faun op het verboden gazon van het openbare plantsoen, waar hij de stralend gele maan die vlakbij in de indigoblauwe hemel tussen de sterren hing onder zijn arm wilde meenemen.’

Doucet zou in de jaren hierna Corneille en de kunstenaars die hij via hem leerde kennen rondleiden door Parijs, voor hun onderdak zorgen en hun laten zien wat hij wist.

Voor Doucet was de ontmoeting ook cruciaal, want hij wilde juist afstand doen van de volgens hem te verintellectualiseerde wereld van Parijs met al haar theorieën. Via Corneille leerde hij de andere Experimentelen kennen en zijn werk werd hierdoor losser. Hij verbond zich meteen met hen en daarna met de internationale Cobrabeweging, waarin de Experimentelen opgingen.

Doucet voelde zich vooral verwant met de noorderlingen bij Cobra en onderhield, in tegenstelling tot het andere Franse Cobralid Atlan, intensief contact met hen waarvoor hij naar het noorden reisde. Hij kwam regelmatig naar Amsterdam en raakte met velen bevriend. Het is daardoor niet verwonderlijk dat er een werk van hem op de omslag van de tweede uitgave van Reflex staat.

Tweede uitgave van Reflex (omslag), collectie Ambassade Hotel

Corneille gaf hem daarvoor een stuk hout en Doucet stak er een houtsnede uit. Alle Experimentele kunstenaars hadden een werk ingediend maar Doucet won het van de anderen. Hij werd kort daarna gevraagd mee te doen in de tentoonstelling met buitenlandse gasten bij Van Lier in 1949. Werk van hun Nederlandse kameraden was in de Bijenkorf te zien, op de meubelafdeling.

En een paar maanden later nam Doucet vanzelfsprekend deel aan de grote Cobratentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Niet alleen met werk, maar ook fysiek want: hij werd het meest genoemd als een van de opruiers tijdens de dichtersavond die uit de hand liep. Zo begon hij onder andere de Internationale te zingen en te vechten. Sommigen leken echt zin te hebben in een vechtpartij.

Over Doucet is een boekwerkje verschenen in de Bibliothèque Cobra van 1950. Het is geschreven door Jean Laude en karakteriseert Doucet als een Cobrakunstenaar die op de grens staat van kinderlijke gevoeligheid. Laude citeert vervolgens Baudelaire: ‘Het genie is het kind dat is begiftigd met alle uitdrukkingsmiddelen. De uitdrukkingskracht die de tekens op de celwanden van een gevangenis hebben en die Doucet tijdens zijn gevangenschap in de oorlog heeft ondergaan, komen via zijn werk bevrijdend naar buiten. Schilderen is uitstel van executie, een gevecht tegen de dood, maar tegelijk een zoektocht naar geluk. ‘

Deze kunstenaarsuitgave is in het bezit van het Ambassade Hotel.

Doucet overleed in 1994 in Parijs.

Werk
Nadat Cobra was opgeheven in 1951 begonnen de poppetjes en vogeltjes te verdwijnen. En ook de kleur veranderde. Doucet raakte bezeten van materie: ‘Het contact met de materie is noodzakelijk voor mijn spirituele zoektocht en bij dit contact ervaar ik een waar sensueel genot.’ Hij gaat werken met kleurvlakken. Toch zijn er her en der ‘personages’ te ontdekken in zijn werken. Zoals in het recent verworven doek van het Ambassade Hotel. Met veel fantasie zou je een man met een bos bloemen kunnen zien. Is het ‘Lucca’? Anderen zien er weer een baarmoeder in, mogelijk met zaadcel en ei?

Jacques Doucet, Lucca, 1972. Gesigneerd Doucet; verso gesigneerd en getiteld. Olieverf op doek. 55 x 46 cm. Het werk was eerder te zien op Art Paris, 2003 en Cobra Reykjavik, Trondheim Kunstmuseum, 2008.

Werk van Doucet is opgenomen in de collecties van het Stedelijk Museum Amsterdam, het Cobra Museum in Amstelveen, Centre Pompidou in Parijs en collecties in Brussel, Stockholm, Silkeborg (Denemarken) en Pittsburgh.

Literatuur
NRC Cobra Museum, tentoonstelling Diewertje Mertens 2011
Ed Wingen, 7 dec 1981, Telegraaf
'Jacques Doucet', Erik Slagter
KB, historische kranten

Meer over Theo Wolvecamp, Karel Appel, Corneille, Brands, Constant, Anton Rooskens, Dotremont, Tajiri, Cobra, de locaties waar de werken hangen, Wouter Schopman (de verzamelaar).