Constant

Constant (Nieuwenhuys)
Amsterdam 1920 – 2005 Utrecht

Jan Elburg beschreef Constant als ‘een heer, die voor de hoed en de kist sigaren voelde. Een man die veel van gitaarspelen hield en het ook voortreffelijk kon.' Op de vele foto’s die er van Constant zijn, zie je hem echter vaak een alpino- of arbeiderspet dragen, geen hoed. Het voortreffelijke gitaarspelen is daarentegen wel in diverse documentaires te zien en te horen.

Constant heeft de naam het brein achter de Experimentele groep, de Nederlandse tak van Cobra te zijn. ‘De gangmaker van onze groep’, noemde Elburg hem. Het was Constant die samen met de Deen Asger Jorn en de Belg Christian Dotremont in 1948 het theoretische kader legde voor de Cobrabeweging. Dat wil niet zeggen dat de andere kunstenaars het met Constant eens waren. Tijdens elke vergadering braken grote ruzies uit.

“Cobra” Revue bimestrielle de l’internationale des artistes experimentaux. No. 6, April 1950. Collectie Ambassade Hotel

Constant zou je een romantische idealist kunnen noemen die geloofde in de haalbaarheid van een utopische betere wereld. Daar wilde hij actief aan bijdragen met zijn kunstwerken en geschriften. De spelende mens zou hierbij een uitgangspunt zijn.

Hij geloofde in de bevrijding van de creatieve krachten van het gewone volk; ‘Cultuur en creativiteit is altijd het bezit geweest van een hele kleine groep mensen in de maatschappij’ zei hij hierover en ‘er zijn altijd twee kunsten geweest: de kunst van de elite en de kunst van de grote massa’.

Hij zou zijn werk het liefst ‘revolutionair realisme’ willen noemen. Dat wil zeggen: een werkelijkheid met het perspectief voor ogen van een betere, menswaardigere, vrijere maatschappij. Hij werd hierbij geïnspireerd door de avant-garde van voor de Tweede Wereldoorlog: de internationale Dada-beweging van de jaren twintig en het surrealisme van de jaren dertig.

Constant, “Collage”, 1948. Collectie Ambassade Hotel /voorheen collectie Hans en Alice de Jong

Bovenstaand werk van Constant uit 1948 is een mooi voorbeeld van de invloed van kubistische en dada-kunstenaars die collages van gevonden voorwerpen maakten. Constants gevonden voorwerpen zijn hier stukjes krant. Eén van de stukjes laat een luchtfoto van de Dam in Amsterdam zien. De Dam heeft van hem ‘Picasso hoorntjes’ gekregen en een staart in de vorm van een oog.

Zou het een beest zijn?

Een ander stuk krant heeft armen, vier benen en schijnbaar een gezicht met twee kubistische ‘Picasso ogen’ naast elkaar. Het derde stuk papier bestaat uit overlijdensadvertenties. Ze hebben een fleurige snor gekregen.

Zou hij er iets mee willen zeggen? Bijvoorbeeld dat de dood je bewust maakt van het leven? Of: ‘Mens durf te leven’?

Leven
Constant Nieuwenhuys werd in 1920 in Amsterdam geboren in een katholiek gezin. Al op jonge leeftijd bleek hij grote interesse te tonen in literatuur, muziek en beeldende kunst. De beeldende kunst kreeg de voorkeur en hij ging in 1939-1940 studeren aan de Rijksakademie van Amsterdam. Constants werk is dan nog zeer religieus. Dat duurde maar kort. Hij legde het geloof naast zich neer en verhuisde naar het kunstenaarsdorp Bergen waar hij zich verbond met de kunstenaarsgroep De Nieuwe Kring.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef hij afwisselend in Bergen en Amsterdam.

Na het einde van de Tweede Wereldoorlog kon hij eindelijk buiten Nederland nieuwe impulsen opdoen. Tijdens zijn bezoek aan Parijs in 1946 leerde hij de Deense kunstenaar Asger Jorn kennen. Deze ontmoeting maakte diepe indruk en zou van doorslaggevende betekenis blijken te zijn. De Deense kunstenaars bleken al langer bezig te zijn met dat waar Constant nog naar zocht: het loslaten van de oude, klassieke, Europese esthetiek. De Europese kunst was volgens Constant en de Deense kunstenaars op een dood spoor terechtgekomen.

Jorn vroeg Constant mee te helpen met de samenstelling van een internationale groep kunstenaars, maar Constant moest hem teleurstellen omdat hij op dat moment nog geen gelijkgestemden in Amsterdam kende. Pas twee jaar later zou hij Karel Appel en Corneille ontmoeten en kon Constant  in navolging van de Deense Experimentele groep,  op december 1947, de Experimentele groep in Holland oprichten.

In het eerste nummer van Reflex,(1948) het orgaan van de experimentelen, publiceerde Constant zijn manifest. Daarnaast is een litho van zijn hand in het tijdschrift opgenomen. Collectie Ambassade Hotel

De groep breidde zich in Nederland uit met meer leden waaronder ook Constants broer Jan Nieuwenhuys. Bijna een jaar later, op 8 november 1948, volgde in Parijs een samensmelting met gelijkgestemde kunstenaars uit, onder andere, België en Denemarken (de groep Host) en kreeg de internationale groep de naam Cobra mee. (zie Cobra pagina voor meer). De Experimentele Groep reisde na de oprichting gezamenlijk af naar Denemarken om er deel te nemen met hun Deense broeders aan een Host tentoonstelling.

De samenwerking tussen de kunstenaars ging niet vanzelf, vooral tijdens vergaderingen ging het er heftig aan toe. Jan Elburg geeft een mooi voorbeeld uit de praktijk:

Het jaar 1949 was er een van ontelbare activiteiten, onder andere veel vergaderingen. Meestal ten huize van Constant, in zijn voorkamer met de ronde mahoniehouten tafel en het overige van deze en gene gekregen grootmoedersantiek, alles op de kale houten vloerplanken die nogal armoedig contrasteerden met de felkleurige wandschilderingen van maskers en fabeldieren, door de hele woning heen. Op die plek zouden dichters Kouwenaar en Lucebert respectievelijk De strandjutter en Oosterse liefde hebben voorgedragen, maar ik herinner mij daar minder van dan van de opgewonden kreten van schilderzijde wanneer de gedachtewisseling onderlinge concurrentie betrof. Constant placht roodgloeiend en wanhopig te worden omdat Karel Appel hem, wat motieven betreft, schaamteloos hinderlijk bleef volgen. ‘je schildert me na!’ foeterde hij stotterend. “Toen ik een paar maanden geleden vogelpootjes en – bekkies schilderde moest jij ook opeens vogelpootjes en – bekkies schilderen; en nou ik met wieletjes ben begonnen, kom jij óók opeens met wieletjes! Kan je toch zien dat je me naschildert!”

Een vroeg werk van Constant in de collectie van het Ambassade hotel illustreert enigszins waar Constant het over heeft tegen Appel. In dit werk zijn de typische, kleurige, ronde dierachtige figuren terug te zien die gestapeld op elkaar worden weergegeven. De poes en de vogel zijn nu karakteristiek geworden voor de taal van Cobra.

Constant, “Zonder titel”, 1948. Collectie Ambassade Hotel

Bovenstaand werk van Constant past bij de Goedemorgen Haan publicatie die Constant samen met de dichter Gerrit Kouwenaar maakte in 1949. Kouwenaar herinnerde zich later dat ze elkaar afwisselend aanvulden. Soms schreef hij de tekst bij de tekeningen van Constant en soms vulde Constant zijn teksten aan met tekeningen. Constant liet de werken vermenigvuldigen en kleurde ze daarna allemaal zelf handmatig in.

Constant en Gerrit Kouwenaar, “Goedemorgen Haan”, 1949.
Constant en Gerrit Kouwenaar, “Goedemorgen Haan”, 1949.

Het geruzie tussen Constant en Appel over kopiëren van Appel leidde niet tot een breuk. Wel werd de relatie tussen Constant en Jorn snel problematisch. Een van de redenen was dat Jorn een verhouding begon met Constants vrouw, Matie Domselaar.

Jan Elburg schrijft hierover: Na een periode van samenwerking tussen Constant en Asger Jorn in Denemarken keerde Constant, slechts vergezeld van zijn kleine zoon Victor naar Nederland terug. Zijn vrouw Matie had voor het samenleven met Jorn gekozen en bleef met haar twee dochters in het noorden. Vanaf dat moment  werd de ongeveer zesjarige Victor (‘Totor”voor de Franse vrienden) een soort mascotte van de groep. Overal waar Constant kwam, was Victor erbij, of het nu vergaderingen, vernissages dan wel persconferenties betrof.

Cover Constant van een monografie geschreven door Dotremont, 1950. Collectie Ambassade Hotel

Omdat de kunstenaars het steeds drukker kregen met hun eigen levenswerk viel de Cobragroep na drie jaar, in 1951, uit elkaar.

Constant en Gerrit Kouwenaar, “Goedemorgen Haan”, 1949

Constant was toen al met Karel Appel en Corneille naar Parijs vertrokken om daar verder te werken. Ook daar had hij zijn zoontje bij zich. In 1952 keerde hij terug naar Amsterdam en werd weer actief in verschillende kunstenaarsgroepen zoals Liga Nieuw Beelden en de Internationale Situationisten. Sleutelfiguur in deze laatste groep was wederom Asger Jorn.

Constant is zich steeds blijven vernieuwen. Een van zijn beroemdste projecten is zijn utopische architectonische New Babylon project, waar hij meer dan twintig jaar aan werkte. Het project is wereldwijd tentoongesteld.

In 1964 publiceerde Constant een opmerkelijk opstel ‘Opkomst en ondergang van de avant-garde’.  Daarin betoogde hij dat de werkelijke avant-garde alleen tussen de twee Wereldoorlogen had bestaan en niet ook nog na 1945. Die laatste periode was een kwasi-neo-avantgarde geweest, volgens hem. Hij keerde terug naar de schilderkunst en ging de grote meesters uit het verleden bestuderen en verwerken in zijn etsen en schilderijen. Een van de werken in het Ambassade hotel is uit deze periode voortgekomen. Op dit werk lijkt zich een klassiek Zuid Europees drama af te spelen.

Constant, “Plaisir et tristesse de l'amour- De liefdesverklaring van Cyrano”, 1976. Op dit werk speelt zich een klassiek Europees drama af. Collectie Ambassade Hotel/voorheen collectie Hans en Alice de Jong

Werk van Constant is te vinden in de collecties van het Stedelijk Museum Amsterdam, Stedelijk Museum Schiedam, het Cobra Museum in Amstelveen en in vele internationale musea. Teveel om hier op te noemen.

Meer over Theo Wolvecamp, Karel Appel, Corneille, Brands, Jacques Doucet, Anton Rooskens, Dotremont, Tajiri, Cobra, de locaties waar de werken hangen, Wouter Schopman (de verzamelaar).