Anton Rooskens

Anton Rooskens
Griendtsveen 1906 – 1976 Amsterdam
Beeldhouwer – Schilder

‘Het was oorspronkelijk niet de Cobrabeweging, het was de Experimentele Groep. Omdat het experiment centraal stond in onze werkwijze, de improvisatie. Uitgaan van de materie, dus niet vooraf iets bedenken en in de materie je motief vinden! Dat was belangrijk, een heel nieuw facet dat nog nooit in de beeldende kunst had plaatsgevonden. Zo belangrijk was het experiment, daarom heet het ook de Experimentele Groep.’ Rooskens.

‘Ik schilder enkel wat mij interesseert. Dier, vis, vogel. Men kan zeggen: dit is een vogel. Maar het is beslist geen vogel. Het is de vorm van een vogel. In primitieve gemeenschappen heeft men magische figuren. De priesters verkleedden zich als vogels. Dat was magie.’ Rooskens.

Schrijver en lid van de Experimentele Groep Bert Schierbeek: ‘Rooskens, het type van de handwerkman, de artisan, die uit duistere werelden de sterren en lijnen laat opschieten van zijn verbeeldingswereld. Hij gelooft in de openbaarmaking van de vormen uit duistere achtergronden. Hij schept een nieuw firmament en hij doet dit in stugge arbeidzaamheid, en taaie volharding. Hij vermoedt in elk zwart, het rood en het wit, het groen en geel en de grenzen die blauw en grijs aan het zwart weten te stellen. Hij vind in het zwart de hele wereld van kleuren en breekt die in het prisma van zijn eigen ogen.’

Leven
Rooskens werd in 1906 geboren en is daarmee een van de oudste leden van de Experimentele Groep Holland, en van Cobra. Zijn geboortehuis stond in het Limburgse Griendtsveen. Van 1924 tot 1934 kreeg hij een opleiding aan de Technische School in Venlo, daarna ging hij verder als leerling-instrumentenbouwer. Ondertussen raakte hij ook geïnteresseerd in de beeldende kunst en ging hij veel naar Amsterdam om tentoonstellingen te bekijken. Hij ontdekte in het Stedelijk Museum vernieuwende moderne kunstenaars als de kubisten Picasso en Braque, de fauvist Modigliani en de Belgische expressionisten Frits van de Berghe en Constant Permeke.

Het deed hem besluiten om in 1935 naar Amsterdam te verhuizen, waar hij een baan kreeg aangeboden als leraar elektrotechniek aan het Don Bosco College. Daarnaast ging hij schilderen in de expressionistische stijl van Permeke en Van Gogh. Vijf jaar later debuteerde hij met een solotentoonstelling bij de Amsterdamse galerie Aalderink, die ook in etnografica handelde.

De oorlog was voor Rooskens, in zijn eigen woorden, een ‘welkome kans om te breken met het verleden.’ De periode betekende een ‘bevrijding’ van het oude. Hij wilde een nieuwe tijd tegemoet. Deze bewustwording werd nog versterkt door Kunst in Vrijheid, een tentoonstelling vlak na de oorlog in het Rijksmuseum, waar werk te zien was van kunstenaars die de Kultuurkamer hadden afgewezen, naast werk van koningin Wilhelmina. Het was in zijn ogen oude, afgedane, vooroorlogse kunst

Wel inspirerend op deze tentoonstelling waren voor Rooskens de werken uit niet-westerse landen als Nieuw-Guinea. Zij maakten grote indruk. Vooral de eenvoudige en intuïtieve vormentaal sprak tot zijn verbeelding. En hij wilde, anders dan Picasso die alleen in die ‘primitieve’ vormentaal geïnteresseerd was, de kern en betekenis van deze kunst vinden.

In 1946 leerde Rooskens Appel, Corneille en Brands kennen bij de gezamenlijke tentoonstelling Jonge schilders in het Stedelijk Museum van Amsterdam. Twee jaar later ontmoette hij Constant, waarna de ontwikkelingen snel gingen. Rooskens: ‘Op de tentoonstelling van Klee, 9 april 1948, werd ik door Karel aan Constant voorgesteld; hij vertelde dat Constant een goed artikel had geschreven. Er waren plannen voor de oprichting van een groep en men vroeg mij of ik wilde meedoen. Op 16 juli 1948 werd ten huize van Constant de “Experimentele Groep” opgericht. Corneille werd tot voorzitter gekozen, Constant werd secretaris en ik penningmeester. … Er werd in deze oprichtingsvergadering heftig gediscussieerd over de verschillende doelstellingen van de groep. … Het experiment zou het belangrijke middel worden om tot een nieuwe vorm te komen. Wij waren ons allen bewust dat we de weg met het verleden hadden afgesneden; we hadden ook een onbelemmerde vrijheid veroverd. Alleen primitieven, kinderen en psychopaten hadden onze sympathie.’

De vergaderingen waren volgens hem zeer belangrijk voor de ontwikkeling van de gezamenlijke taal ‘Het werd een goede gewoonte het nieuwste werk mee te brengen ter discussie. Dit heeft er niet weinig toe bijgedragen, dat reeds spoedig de zo typische stijl ontstond, kenmerkend voor de groep.’

Rooskens kon echter vanwege zijn werk niet bij alle vergaderingen zijn. Hij was zelf ook wel eens onderwerp van vergadering, volgens Lucebert in een brief aan Jan Elburg in 1981:’een vergadering ten huize van eugène brands staat mij nog heel goed bij. constant vroeg de verzamelde leden anton rooskens te royeren omdat hij katholiek zijnde en nog steeds ter kerke gaande niet revolutionair was. Brave anton was natuurlijk afwezig, die peesde zich af die middag als leraar op een ambachtschool. dat ging mij en gelukkig ook iedereen van de aanwezigen te ver, maar het was voor mij ook wel een les.’ Of deze herinnering klopt is niet duidelijk, maar Constant bleek wel streng toe te zien op wat hij kwaliteit noemde.

Doordat Rooskens de enige was met een vast inkomen, werd hij voor de andere kunstenaars belangrijk als toeleverancier van verf en doeken. De reden dat hij penningmeester werd, was dat hij als enige van de groep een gironummer had: ‘Ik vond het een pestbaantje eigenlijk. En dat gaf vaak conflicten ook eigenlijk.’

De Experimentelen waren niet de enige kunstenaars met wie hij zich verbond. Hij trad ook toe tot Vrij Beelden, een vergelijkbare beweging. Rooskens ging met enkele leden ervan in 1947 naar Parijs; van die reis maakte vooral het bezoek aan het Musée de l’Homme grote indruk. Hij ging de geometrische vormen van de precolumbiaanse kunst die hij daar zag, toepassen in zijn werk. De werken die hieruit resulteerden liet hij eind 1948 in het Stedelijk Museum zien in een Vrij Beelden-tentoonstelling.

Met de Experimentelen ging hij intensiever om dan met Vrij Beelden. Ze brachten samen bladen uit zoals Reflex en maakten in hun experimenteerdrift ook gezamenlijk keramiek bij een adresje, een steenfabriek in Tegelen, dat Rooskens had aangebracht. In 1948 gingen ze op in de internationale Cobrabeweging.

Meubelontwerper en collectioneur Martin Visser nodigde enkele van de kunstenaars, waaronder Rooskens, begin 1949 uit voor een tentoonstelling in de Bijenkorf. Het was al de tweede keer dat hij dit deed en ook nu bleek de expositie een publiekstrekker. Visser: ‘Het publiek sprak erover en lachte erom en schold erop en wilde erop krassen met potloden. In zo’n warenhuis mag dat wel. … Als ze maar binnenkomen, of het nu voor de roltrap is of voor iets anders. … De hoogste directeuren vonden het allemaal prachtig, al zagen ze er niets in.’

Een paar maanden later kregen de ambitieuze kunstenaars hun grote kans in het Stedelijk Museum. En dit keer werd het serieus. Er ontstond competitie. Rooskens: ‘Er hing een zelfs vijandige spanning in de lucht. Doeken die al een vaste plaats hadden gekregen, werden om de een of andere reden weer verhangen. Dit had tot oorzaak, dat verschillende deelnemers de laatste nacht bij hun doeken de wacht hielden.’

De daarop volgende rel, tijdens een experimentele dichtersavond op de tentoonstelling, was voor Rooskens reden om uit de Cobrabeweging en de Experimentele Groep te stappen: ‘Ikzelf zat midden in de zaal en zag op een gegeven moment verschillende vechtpartijen. Lucebert probeerde de orde te herstellen, maar kon zich niet meer verstaanbaar maken; er werd geschreeuwd “denk om Sandberg”. En terwijl het publiek naar de uitgang drong, werd ergens de Marseillaise gezongen. Buiten werden de vechtpartijen in het donker voortgezet.’

Het effect van de gebeurtenissen verbaasde Rooskens enigszins: ‘In de nu volgende dagen brak een ware storm in de Nederlandse pers los, wat weer tot gevolg had dat de tentoonstelling één der meest bezochte werd in de geschiedenis van het Stedelijk Museum.’

Hoewel Rooskens als een van de eersten uit Cobra stapte, wordt hij nog steeds gezien als een typische Cobrakunstenaar. De invloed die de beweging op hem had ging na zijn uittreden door. Hij begon een eigen taal te ontwikkelen met magische, experimentele beelden. Een mooi voorbeeld van een dergelijk ‘bezield’ beeld is in een van schilderijen in de collectie van het Ambassade Hotel te zien. Het zou een totemfiguur kunnen zijn. Met een katholiek kruis misschien? Opvallend zijn de hoekige geometrische vormen die hij in dat jaar, 1954, in zijn werken gebruikte.

Waarschijnlijk is dit werk in de collectie na zijn eerste Afrikareis gemaakt.

Anton Rooskens, Figuur. Diverse technieken op papier. 1954. Collectie Ambassade Hotel

Van alle Cobrakunstenaars hebben Rooskens en Corneille zich het meest laten inspireren door wat zij noemden ‘de Afrikaanse primitieve kunst. Het zou echter pas tot 1954 duren voor Rooskens naar het Afrikaanse continent zou afreizen, waarbij hij Kongo, Oeganda en Kenia bezocht. Enigszins teleurgesteld kwam hij terug: ‘Ik had gehoopt tovenaars te vinden, maar het was voorbij! Afrika’s kleur, de kleuren van Kongo en de rode, door de zon gekleurde aarde bracht ik op het doek.’ Ondanks de teleurstelling miste de reis zijn effect niet. Rooskens ging meer zwart gebruiken op zijn doeken, en de voor Afrika typische kleuren rood, oker en groen.

Rooskens bleef wel bij de kunstenaarsgroep Vrij Beelden, nam deel aan het in 1950 opgerichte Creatie en later ook aan Liga Nieuw Beelden, een samenvoeging van de Vrij Beelden en Creatie. Hij onderhield daarnaast ook tot zijn dood contact met de Nederlandse en internationale leden van de Cobrabeweging.

Rooskens overleed onverwachts in 1976 in Amsterdam.

Werk
Lucebert vond dat een kunstenaar zich onvoorwaardelijk over dient te geven aan de materie en riep Anton Rooskens in een vluchtschrift toe:

‘laat het zichzelf maken

laat het zichzelf steelsgewijs

als het oog de stèle van het licht

vormen in luchtige vormen’.

In de jaren zestig ging Rooskens weer teruggrijpen op de Cobraperiode, met geïmproviseerde en experimentele werken. In één van de schilderijen van Rooskens in de collectie van het Ambassade Hotel begon hij waarschijnlijk met een vlek en liet die vlek uiteindelijk uitmonden in een gesprek tussen twee fantasiefiguren op het doek.

Anton Rooskens, Het gesprek. Olieverf op doek. 1968. Collectie Ambassade Hotel.

Het werk van Rooskens is in bijna alle grote museale collecties van Nederland opgenomen. Het is daarnaast wereldwijd verzameld door Cobraliefhebbers.

Literatuur
Cobra : Sint-Niklaas, Stedelijk Museum, 21 sept.--26 okt. 1975 : Namur, Maison de la culture, 14 nov.--7 déc. 1975

Dr Willemijn Stokvis, De taal van Cobra, Cobra Museum voor moderne kunst, Amstelveen/Uniepers 2004

Dr. Willemijn Stokvis, Cobra. De weg naar spontaniteit, V+K Publishing, 2001

The Cobra collection, DVD samengesteld door het Cobra Museum voor Moderne Kunst en het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid,

Ons Erfdeel. Jaargang 14. Stichting Ons Erfdeel, Rekkem / Raamsdonk-Dorp 1970-1971

De Gids. Jaargang 150. Meulenhoff Nederland, Amsterdam 1987

Jan Elburg, Geen letterheren (3) Uit de voorgeschiedenis van de Nederlandse literaire beweging der Vijftigers: de jaren 1948 en 1949 Reflex 2