Cobra

Het Ambassade Hotel herbergt een grote collectie kunstwerken waar de hotelgasten van kunnen genieten. De meerderheid van de werken is gemaakt door kunstenaars die bij de roemruchte Internationale Cobra groep hoorden of daar aan verwant zijn. Wie waren deze kunstenaars en wat wilden zij?

Cobra

“Cobra, Organe du front international des artistes experimentaux d’avant-garde

Nu zijn de kunstenaars wereldberoemd en zijn hun werken in vele internationale musea terug te vinden. Maar dat is, zoals wel vaker met kunst, niet vanzelf gegaan. In eerste instantie werd hun werk volstrekt niet begrepen. Of erger nog: hun kunst schokte.

En naar die schok was Willem Sandberg, directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, precies op zoek. Want de kunstwereld was kort na de Tweede Wereldoorlog volgens velen ingeslapen.

Reuring! Dat was wat de kersverse museumdirecteur wilde. En dat kreeg hij in 1949.

Wat ging hieraan vooraf? En wat gebeurde daarna?

De Nederlandse Experimentele groep en de internationale Cobrakunstenaars: “een ongeveer georganiseerde beweging “ (citaat van Dotremont)

Na de Tweede Wereldoorlog wilden jonge kunstenaars in Nederland zoals Karel Appel, Constant Nieuwenhuys en Corneille een opstand teweeg brengen. ‘Die maatschappij die eigenlijk sliep wakker te schudden, dat was het eigenlijk, dat was die opstand die een enorm enthousiasme gaf. …..Wakker zijn betekend helder zijn. Je radar moet altijd openstaan’ vertelt Karel Appel in de film Cobra.

Ze wilden zich bevrijden van de eeuwenlange, zwaarwegende en in hun ogen doodgelopen Westerse kunsttraditie. Dit doel was volgens hen niet bereikt, door de vooroorlogse generatie.

Wel voelden ze een grote bewondering voor enkele individuele vooroorlogse kunstenaars. Vooral : Wassily Kandinsky vanwege zijn fascinatie voor Oosterse kalligrafie en experimentele kleurimprovisaties op muziek, Paul Klee met zijn belangstelling voor kindertekeningen en Joan Miro vanwege zijn fantastische droombeelden. En ook het werk van de Duitse expressionisten met hun gevoelsuitdrukkingen in kleur.

Theo Wolvecamp, “Zonder titel”, 1946. Collectie Ambassade Hotel. Vroeg werk van Theo Wolvecamp. Hij is hier nog geïnspireerd door de Duitse expressionisten.

Maar deze kunstenaars waren hen niet ver genoeg gegaan. Er moest, volgens de jonge generatie, een nog grotere omwenteling komen. En dit moest gezamenlijk gebeuren, want: samen ben je sterker.

Nadat Karel Appel, Constant en Corneille elkaar hadden gevonden in 1947 in Amsterdam, richtten zij op 16 december 1947 Reflex, Experimentele groep Nederland op. De drie bloedbroeders doopten hun handen in de verf en sloten een verbond door deze handen af te drukken op een groot vel papier: een zeldzaam moment van eensgezindheid tussen deze verschillende karakters.

Dit unieke document is in de collectie van het Ambassade Hotel opgenomen

Ze waren het eens over de gezamenlijke zoektocht naar vrijheid in de kunst voor iedereen. Er moest teruggegaan worden naar het begin van kunst, naar de spelende creërende mens. Ze gebruikten hiervoor als bron: het experiment, het onderbewuste, de niet westerse traditionele culturen of pre-industriële volken (primitief in hun ogen), kindertekeningen en tekeningen van geesteszieken. Want daar lag volgens deze kunstenaars de oorsprong van alle kunst. Zij wilden niet door het verstand gecontroleerde kunst maken, die een weerslag was van de naoorlogse werkelijkheid die zij beleefden. Het was daarbij toegestaan oude werken van andere kunstenaars of van elkaar te bewerken. Dat noemden ze modificeren.

De modificatie is onderdeel van Cobra geworden. Karel Appel is het zijn hele leven blijven toepassen.

Lucebert, “Compositie”, 1948. Collectie Ambassade Hotel

Een paar maanden later op 16 juli 1948 werd de Experimentele groep een tweede keer opgericht dit keer met meer kunstenaars en ook met schrijvers. Bij de groep voegden zich: Theo Wolvecamp, Jan Nieuwenhuys, Anton Rooskens, Tjeerd Hansma en later ook Eugene Brands, Hugo Claus, Lucebert, Gerrit Kouwenaar en Jan Elburg.

De schilder Anton Rooskens gaf een mooie beschrijving van de zeer uiteenlopende karakters in de groep: Appel was, volgens hem, een echt joviale Amsterdamse jongen, een klein beetje rauw, maar erg aardig. Corneille was een heel ander type die als dichter andere dingen deed en een andere aard had dan Appel, hoewel ze goed bevriend waren. Constant was weer totaal anders, die had een keurige opleiding gehad op het lyceum. Wolvecamp was een wilde jongen, volgens Rooskens. En Brands was een klein beetje een eenzelvig in zichzelf gekeerd iemand. Een man die altijd op een vierkante meter had geleefd. In tegenstelling tot Rooskens zelf, ‘Ik heb de hele wereld afgereisd omdat ik daar behoefte aan had’.

Anton Rooskens, “Figuur”, 1951. Collectie Ambassade Hotel

Martin Visser de verzamelaar en meubelontwerper leerde de groep al vroeg kennen en raakte geheel in de ban van hun branie en plannen:‘Hele leuke spontane, verschrikkelijk krachtige jongens, daar had je behoefte aan in die tijd,’ vat hij samen. ‘Vond ik erg leuk, het liet me niet los en ik kocht er al snel een of meer’ Hij gaf ze ook de kans tentoon te stellen in het chique warenhuis de Bijenkorf. Het publiek en de directeuren van de Bijenkorf vonden het prachtig ‘ook al zagen ze er niets in’ herinnert Martin Visser zich in een documentaire.

Om het gedachtegoed en de werken een groter bereik te geven besloten ze een ‘orgaan’ te maken met de titel Reflex. Daarin publiceerde Constant zijn nu wereldberoemde ‘Manifest’ voor de Experimentele groep. In deze tijdschriften werden indrukwekkende litho’s van de kunstenaars opgenomen. Het zijn nu gewilde collectors items.

“Reflex” nummer 1, 1948. Collectie Ambassade Hotel. De cover is van Corneille. Corneilles werk lijkt te verwijzen naar de veel geciteerde zin van Constant in het Manifest: ‘Een schilderij is niet een bouwsel van kleuren en lijnen, maar een dier, een nacht, een schreeuw, een mens, of dat alles tezamen’

De experimentelen wilden heel graag uitwisselen en samenwerken met kunstenaars in het buitenland die hetzelfde nastreefden. Een eerste signaal hiervan is de cover van het tweede nummer van Reflex. Hierop staat een werk van de Fransman Jacques Doucet.

“Reflex” nummer 2, 1949. Collectie Ambassade Hotel. Het tweede en meteen laatste nummer van Reflex. De cover is van de Fransman Jacques Doucet. Corneille had hem in Budapest leren kennen.

Er stonden blijkbaar nog meer nummers op stapel want in de collectie van het Ambassade hotel bevinden zich twee gouaches van Eugene Brands die waarschijnlijk voor volgende nummers bedoeld waren. Maar de plannen liepen anders.

Eugène Brands, twee ontwerpen (gouaches)
voor de covers van volgende nummers van “Reflex” die nooit zijn gemaakt, 1948. Collectie Ambassade Hotel

Een paar maanden later ging de Nederlandse Experimentele groep op in de internationale Cobra groep

Asger Jorn, “ The watch cat “, 1949. Collectie Ambassade Hotel

De aanloop naar Cobra
Van doorslaggevende betekenis voor het ontstaan van Cobra is de ontmoeting tussen Constant en Asger Jorn in Parijs in 1946 geweest. Tot grote verrassing van Constant bleken de Deense kunstenaars al voor de oorlog te zijn begonnen met dat waar hij en de experimentelen naar zochten.

Eljer Bille, “Figuur”, 1951. Collectie Ambassade Hotel

Zij verdiepten zich onder andere ook in de kracht van kindertekeningen, want volgens hen drukten kinderen zich oprecht uit.

De Nederlandse experimentelen besloten in 1948 samen met Belgische gelijkgestemden en de Deense groep Experimentelen rondom Jorn, Cobra op te richten. De oprichting vond plaats in Parijs op 8 november 1948. Het denkkader werd gevormd door de Deen Jorn, de Belg Christian Dotremont en de Nederlander Constant. De naam Cobra werd door Dotremont bedacht omdat het een mythische slang is en omdat het de beginletters vormt van de steden waar de meeste kunstenaars vandaan kwamen: Copenhagen, Brussel en Amsterdam.

Shinkichi Tajiri, “Hermafrodite”, 1950. Collectie Ambassade Hotel

Dotremont leidde de Cobra-activiteiten en voegde meer mensen toe aan de groep, waaronder Pierre Alechinsky en meerdere schrijvers. Al snel kwamen de leden van Cobra uit heel Europa en zelfs er buiten. Dotremont vatte de groep grappend samen in een van zijn teksten:

‘Appel die kapper is, uitgesproken een werker met de hand, Corneille die dol is op Arabieren, Constant, die zijn zoontje vertroetelt, Carl Henning Pedersen die lispelt, Ortvad die het Noord-Zweeds en het Zuid-Zweeds accent imiteert, Thommesen die vóór alles meubelmaker is, Heerup, die schildert in zijn hutje en beeldhouwt in zijn grote tuin, Mancoba die Zuid-Afrikaan is, Bury die in zijn verloren ogenblikken metaalarbeider is, Alechinsky die metselt, Osterlin die zich afbeult op een kantoor, Doucet die nooit ernstig is, en de anderen’

William Gear, “Zonder titel”, 1948. Collectie Ambassade Hotel

Er waren, zoals al eerder gezegd, grote verschillen tussen de Cobraleden. Voor ieder van de kunstenaars uit de diverse landen die deelnamen had Cobra een andere betekenis. Vanaf het prille begin werd er dan ook flink geruzied. En welke individuen er echt bij hebben gehoord, is, nog steeds, een onderwerp van discussie.

Lotti van der Gaag, “Homage aan Henri Moore”, 1949. Collectie Ambassade Hotel

Achteraf blijken vooral de intensieve experimenten met kleur, de materialiteit en de grote rol voor – rondvormige – fantasiefiguurn bij velen navolging te hebben gekregen en internationaal indruk te hebben gemaakt. Vooral de kinderlijke en vrolijk aandoende mythologische dieren zijn synoniem geworden voor Cobra. Evenals de vele samenwerkingsverbanden tussen beeldende kunstenaars en dichters. Er is een groot aantal gezamenlijke werken tot stand gekomen. Enkele daarvan bevinden zich in het Ambassade hotel.

De groep Cobra kunstenaars en dichters had in zijn korte bestaan van 1948 tot 1951 een aantal internationale tentoonstellingen.

In Nederland maakte de tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam in 1949 grote indruk. Niet alleen door de, voor Nederland, choquerende werken maar ook omdat het een enorme knokpartij werd. De journalisten beleefden groot plezier aan het beschrijven van deze tentoonstelling en de ontregelende gebeurtenissen. Eindelijk konden ze weer eens uitpakken met smeuïge stukken.

Dit tot grote tevredenheid van Museumdirecteur Willem Sandberg, zoals hij hierover later zei:
Het is nodig dat er iets gebeurt, een schandaal of zoiets, anders schrijven ze niet. Maar toen werd het voorpagina nieuws.
Vraagsteller: wat vond u daarvan?
WS: Nou dat vond ik fijn!
Ik lees nooit recensies.
Ik kijk alleen hoe groot ze zijn en op welke plek ze in de krant staan.

Gelukkig waren niet alle journalisten negatief. Er zijn ook uitermate positieve berichten te vinden van mensen die de tentoonstelling een verademing vonden. Eindelijk nieuwe kunst! Zoals in onderstaande enthousiaste recensie is te lezen.

Bij de kunstenaars en schrijvers zelf waren de meningen ook verdeeld over het succes en over de organisatie. ‘iedereen maakte ruzie met iedereen’ vertelde Jan Elburg later. Sommige leden trokken zich hierna terug uit de groep.

Maar Appel was, net als Sandberg, zeer tevreden over het resultaat. Sandberg is vanaf dat moment de vernieuwende museumdirecteur. En Cobra werd: de nieuwe stroming.

Pierre Alechinsky, “1e Stat. Bon à Tirer”, 20-XI-62. Collectie Ambassade Hotel

Dotremont zou deze periode later definiëren als: Cobra, dat is een in drie jaar tijds, ongeveer georganizeerde beweging. De groep publiceerde in deze periode 10 tijdschriften en 15 boekjes.

Redactie Asger Jorn, “15 monografieën”, 1950. Collectie Ambassade Hotel

Na opheffing van Cobra in 1951 zouden Constant en Jorn weer samen deelnemen aan de Situationisten. Ze namen een aantal uitgangspunten van Cobra over. Veel ‘principes’ uit de Cobra periode zie je terug in het latere werk van deze kunstenaars en ook bij kunstenaars van latere generaties.

Inmiddels zijn de meeste Cobra kunstenaars overleden en is het experiment in de kunst volledig geaccepteerd.

Anton Rooskens, “Figuur”, 1954. Collectie Ambassade Hotel